Hoofdstuk 208
Door Kees Schilder
IK BEN
De geest leeft van onderscheid. Hij voelt zich veilig wanneer hij kan benoemen, classificeren en oordelen. Zodra hij iets in een categorie heeft geplaatst — goed of slecht, juist of fout, ik of jij — lijkt er orde te zijn. In die orde vindt de geest zijn schijnbare rust.
Maar dit is geen werkelijke rust, slechts een tijdelijke geruststelling. Het is de rust van iemand die voortdurend muren bouwt om zichzelf te beschermen, niet de vrede van iemand die niets meer te verdedigen heeft.
Wanneer je besluit niet te oordelen, wanneer je zegt: “Ik ga niets zeggen, ik ga alleen aanwezig zijn”, dan verliest de geest zijn houvast. Hij weet niet wat hij met stilte moet doen, want stilte is zijn einde.
De geest ervaart dat als sterven. En op een bepaalde manier ís dat ook zo — het sterven van de identificatie met denken. Wat overblijft is niet de dood, maar het begin van echt leven: de aanwezigheid die altijd al daar was, verborgen achter het lawaai van het denken.
Het ontwaken uit de verdeling
Wanneer je de neiging van de geest om te verdelen begint te zien, zonder ertegen te vechten, ontstaat er iets nieuws. Er komt een opening — een stille ruimte van bewustzijn. In die ruimte is geen oordeel nodig. Alles wat verschijnt, mag er zijn.
Dit is de dimensie van Zijn, de toestand waarin je niet langer gevangen bent in de polariteit van de geest. Je herkent jezelf niet meer als de denker, maar als het bewustzijn dat de gedachten waarneemt.
Daar, in dat stille waarnemen, eindigt de angst van de geest. Wat eerst voelde als sterven, blijkt ontwaken te zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten