Hoofdstuk 216
Ik ben
Voor God is iedereen gelijk.
Niet omdat wij gelijk leven,
maar omdat Hij niet wéét hoe onderscheid voelt.
Het goddelijke kent geen lijnen tussen licht en schaduw,
geen meetlat voor goed of kwaad,
geen rekenschap van onze misstappen.
Het ziet slechts het éne:
de vonk die nooit dooft.
En toch fluistert de mens zichzelf graag verhalen toe
over trappen naar de hemel,
over deugd die heilig maakt,
over een God die dichterbij komt
naarmate wij “beter” worden.
Maar dat is een misverstand —
een spiegel die wij zelf optillen
en verwarren met de werkelijkheid.
God komt nooit dichterbij.
Hij wás nooit ver.
Hij is het stille midden,
het ademen vóór iedere adem,
de bron die ons draagt nog vóór wij leren staan.
Het is niet God die terugdeinst
als wij falen, struikelen, verdwalen.
Het is ons bewustzijn dat bewolkt raakt,
onze blik die zich sluit als een hand om pijn.
Maar de zon blijft schijnen,
zelfs als wij onze ogen niet openen.
Wanneer een mens leeft vanuit liefde,
niet als plicht maar als natuurlijke stroom,
wanneer hij het algemeen belang dient
niet vanuit angst maar vanuit helderheid,
dan stijgt hij niet op een ladder naar God —
dan wordt hij transparanter
voor het licht dat er altijd al was.
Hoe hoger ons bewustzijn,
hoe meer de sluier dun wordt,
hoe meer de bron zichtbaar wordt
als een innerlijk landschap zonder horizon.
Niet omdat wij “beter” zijn,
maar omdat wij minder bedekt zijn.
Opgroeien in bewustzijn
is niet groeien in waarde,
maar ontwaken in aanwezigheid.
Overgave is het openen van de hand,
het toelaten van het licht dat nooit weigerde te schijnen.
Dan zien we:
er is geen afstand,
geen oordeel,
geen hiërarchie van zielen.
Er is alleen de ene stroom
waarin wij allemaal drijven,
de bron waarin alles ontspringt,
en het licht dat iedereen
zonder voorkeur
zonder voorbehoud
zonder voorwaarden
omhelst.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten