Hoofdstuk 217
Door Kees Schilder
Ik ben
Soms breekt een gedachte als een schril licht door het weefsel van de dag;
scherp, ongevraagd, geladen met een stroom die je nauwelijks kunt vasthouden.
Het leven beweegt zich dan door je heen met een intensiteit die je niet koos,
maar die je wel wordt gegeven.
En juist daar, in die onverwachte beroering, ligt een stille uitnodiging:
niet om te vluchten, niet om te vechten,
maar om te blijven.
Om je voeten te zetten in de zachte grond van aanwezigheid,
waar elke gedachte mag binnenkomen als een reiziger
en weer mag vertrekken zonder dat jij de deur dichtslaat.
Angst, twijfel, bezorgdheid;
ze kloppen niet aan om beoordeeld te worden,
maar om gezien te worden.
Wanneer we hun stemmen proberen te smoren,
spannen we de snaren van ons eigen hart aan
tot ze gaan trillen van vermoeidheid.
Maar als we zachtjes zeggen:
“Kom maar, ik luister,”
valt de kramp uiteen.
Dan herinneren we ons dat we mens zijn;
een ademend, kwetsbaar schepsel
dat niet bedoeld is om altijd onwankelbaar te zijn.
Onze geest is een dichter op hol,
een verhalenschrijver die van elke fluistering ,elke gedachte
een episch drama kan maken.
Een beeld wordt een scène,
een emotie een voorspelling,
een gedachte een storm.
Maar wanneer we dit spel doorzien,
wanneer we de draad van de vertelling in onze handen nemen
en een stap achteruit doen,
zakt de storm ineen tot een enkele wolk
die door de lucht drijft.
We worden dan niet langer
het personage in het verhaal,
maar de stille getuige die het verhaal ziet ontstaan.
Gedachten rijzen op uit een onpeilbare diepte;
een oceaan van herinneringen, indrukken en vergeten dromen.
Sommige prikken als distels,
andere strelen langs ons heen als zachte wind.
Ze zijn niet “van ons”,
maar bewegen door ons zoals vogels door de lucht bewegen.
Pijn en verlies behoren tot dezelfde stroom.
Ze zijn geen vergissing, geen fout in de kosmos,
maar de andere zijde van het hart
dat zich opent voor vreugde.
Lijden ontstaat wanneer we grijpen,
wanneer we zeggen: “Dit mag niet, dit moet anders.”
Maar het leven houdt zich niet aan onze blauwdrukken.
Het onthult zich op eigen wijze,
in patronen die wij nooit volledig kunnen zien.
Wanneer we onze handen openen,
wanneer we de greep loslaten,
vloeit het verzet weg als water uit een gesloten vuist.
Dan blijft alleen het moment over;
naakt, echt, en verrassend draaglijk.
Onze pijn is geen absolute waarheid.
Wat voor de één een breuk is,
is voor de ander een deur.
Dit besef maakt het hart lichter:
geen enkel verhaal is definitief.
Geen enkele gedachte is de bodem van wie we zijn.
En midden in het geworstel,
te midden van alles wat we verliezen of vrezen,
is er altijd ook dat andere:
adem, licht, zachtheid,
de simpele rijkdom van bestaan.
Gedachten zullen blijven komen,
emoties zullen blijven fluisteren,
en het leven zal blijven bewegen
in haar golfslag van vreugde en pijn.
Maar jij;
jij kunt leren rusten in dat stille centrum
waar alles mag verschijnen
en niets hoeft te blijven.
In die ruimte wordt lijden doorzichtig,
wordt het hart zacht,
wordt het leven een open veld
waarop elke ervaring even welkom is.
Daar,
waar stilte ademt en gedachten oplossen,
begint echte vrijheid.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten