HOOFDSTUK 138
IK BEN
Wanneer iemand zich bewust wordt van zijn ware aard — het stille, tijdloze bewustzijn dat voorafgaat aan elke gedachte, emotie of lichamelijke sensatie — dan valt de identificatie met het tijdelijke en vergankelijke vanzelf weg. Het lichaam wordt niet langer gezien als het "ik", maar als een voertuig of instrument binnen de droom van dualiteit. Voor sommigen kan deze ontwarring van identiteit echter aanvankelijk verwarrend of zelfs pijnlijk eenzaam aanvoelen.
Dit komt omdat onze hele conditionering – van geboorte af aan – ons leert om onszelf te definiëren aan de hand van vormen: het lichaam, de naam, de geschiedenis, het denken. Wanneer dit alles wegvalt, blijft er een immense openheid over, een leegte die tegelijk bevrijdend én beangstigend kan zijn. Het ego voelt zich dakloos. En het lichaam, met al zijn verlangens, ongemakken en sterfelijkheid, kan dan ineens worden gezien als iets vreemds .Zelfs, in mijn geval-om het maar eens oneerbiedig te noemen- als een soort wandelend riool, wanneer men zich scherp bewust wordt van zijn fysieke processen en vergankelijkheid.
Toch schuilt hier een uitnodiging: om het lichaam niet te verwerpen, maar juist te omarmen als een expressie van het Ene. Niet als het Zelf, maar als een dans van het Zelf. Wanneer deze verschuiving dieper indaalt, maakt de eenzaamheid plaats voor een stille vreugde: de herkenning dat jij, in wezen, altijd heel bent geweest – ook terwijl je dit lichaam bewoont.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten