HOOFDSTUK 202
Door Kees Schilder
IK BEN
Wanneer het bewuste in het onbewuste valt, betekent dit dat het licht van waarneming dooft. Het is alsof de zon ondergaat in een donkere oceaan van vergetelheid. Dit is niet alleen fysiek wat we ‘coma’ noemen, maar ook symbolisch: de toestand waarin een mens leeft zonder innerlijke aanwezigheid. Velen bewegen door hun dagen als slaapwandelaars — handelend, denkend, reagerend, maar zonder werkelijk te zien. Hun handelingen worden geleid door automatische patronen, door conditioneringen, door de schaduwen van hun eigen psyche.
In die zin leven velen in een subtiele coma, een collectieve slaap waarin men vergeet wie men werkelijk is.
Maar als de stroom omkeert — als het onbewuste in het bewuste valt — gebeurt er iets wonderlijks. Dan begint datgene wat verborgen lag, datgene wat in de schaduw leefde, zichzelf te openbaren. Het duister wordt niet langer gevreesd, maar doorzien.
Het ego, dat kleine eilandje van licht dat dacht het enige te zijn, laat de oceaan van het onbewuste binnenstromen. Dromen, intuïtie, oerbeelden, angsten en verlangens komen aan het licht — niet om veroordeeld te worden, maar om herkend te worden als deel van het geheel.
Wanneer dit gebeurt zonder verzet, ontstaat er iets wat we verlichting noemen. De mens wordt heel. Er is niet langer een grens tussen boven en beneden, tussen bewust en onbewust, tussen ik en wereld.
De Boeddha-toestand..
Een Boeddha is iemand bij wie het onbewuste volledig transparant is geworden. Er is niets meer dat in de schaduw schuilt. Alles wat ooit verdrongen was, is opgenomen in het licht van bewustzijn.
Dit is geen intellectueel proces, geen analyse, maar een diepe ervaring van aanwezigheid. In die toestand is er geen strijd meer tussen denken en voelen, tussen lichaam en geest, tussen goed en kwaad. Alles is doordrongen van inzicht, van mededogen, van stilte.
De Boeddha is niet iemand die “meer weet” dan anderen, maar iemand die niets meer verbergt — niet voor zichzelf, niet voor het leven.
Bewust en onbewust zijn geen vijanden, maar geliefden. Hun dans vormt het ritme van groei, van transformatie. In elke ademhaling is er een dalen en een rijzen, een vergaan en een wedergeboorte.
De val van het bewuste in het onbewuste leert ons over overgave, loslaten, sterven aan het ego. De stijging van het onbewuste in het bewuste leert ons over verlichting, integratie, wedergeboorte.
Wanneer de mens beide bewegingen kent — en ze niet meer als tegengesteld ervaart — ontstaat er innerlijke vrijheid. Dan is er geen angst meer voor de duisternis, want men weet dat juist daar het zaad van het licht rust.
Het herinnert ons eraan dat verlichting niet iets is wat “toegevoegd” moet worden, maar iets wat zich ontvouwt wanneer het onbewuste zichzelf bewust wordt. In de diepste zin is de weg naar verlichting een terugkeer naar heelheid — een thuiskomen bij dat wat altijd al aanwezig was, maar nog niet gezien werd.
Wanneer het onbewuste ontwaakt in het licht van bewustzijn, verdwijnt de grens tussen de twee. En wat overblijft is eenvoudig, stil en onmetelijk helder:bewust Zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten