Hoofdstuk 219
Door Kees Schilder
Ik ben
Er waait een stille leegte door de moderne wereld ;
een leegte niet van gebrek, maar van vergeten.
Miljoenen dwalen door een landschap van schermen, meningen en verlangens,
zonder te merken dat de deur naar het heilige
langzaam achter hen is dichtgevallen.
Religies, ooit zachte poorten naar het onuitsprekelijke,
zijn vaak verstard tot muren.
Wat bedoeld was om het hart te openen,
wordt nu gebruikt om grenzen te trekken,
om te benoemen wie binnen hoort en wie buiten valt.
Het menselijke ego heeft heilige woorden tot vlaggen gemaakt,
en iedere vlag heeft een schaduw.
Toch, tussen de barsten van deze oude structuren
schemert er nog licht.
In een vergeten gebed, een onverwachte stilte,
of in een eenvoudig moment ,
een bloem die opent in de ochtendwind ,
kan de ziel haar eigen herinnering voelen trillen.
De waarheid die nooit gestorven is,
fluistert nog.
Het kruis, dat zwaar beladen symbool,
draagt in zijn hout de geheimen van overgave.
Wie zijn lijden niet langer wegduwt,
maar het zacht in handen neemt,
kan zichzelf vinden in de schaduw van die gekruisigde.
Daar, waar alle weerstand smelt,
breekt een andere ruimte open.
Lijden wordt dan niet de vijand,
maar de deur waardoor een mens zichzelf ontwaakt.
In het oosten spreekt Boeddha over dukkha,
over het brandpunt van pijn dat,
wanneer het helder wordt aanschouwd,
licht uitdraagt.
In het westen sterft een man aan een kruis
en ademt opnieuw.
Twee dromen, één waarheid:
transformatie bloeit waar het hart niet langer vlucht.
Maar de mens van deze tijd ,
moe van dogma’s, wars van oude beelden ,
keert zich vaak af van religie
als van een kinderlijke fabel.
In dat afwijzen verdwijnt echter ook
dat kleine, stille wonder
dat achter woorden en rituelen verborgen lag.
We gooien het heilige weg
omdat de verpakking ons niet meer past.
En zo drijven velen af in een wereld
die alles biedt behalve diepgang,
waar verlangens ritselen als plastic zakken in de wind
en bewustzijn wordt begrensd door consumptiedromen
en ideologische echo’s.
Maar altijd blijft er een rest,
een minderheid die door het lawaai heen luistert.
In hen herinnert iets zich het ongeboren licht,
iets dat nooit verloren is gegaan.
Voor hen is religie geen eindstation
maar een boot op een rivier;
soms bruikbaar, soms te zwaar om verder te dragen.
Spiritueel ontwaken hoeft geen geloof,
geen tempel, geen leer.
Het vraagt slechts één ding:
een bereidheid om te zien wat werkelijk is,
om te voelen wat gevoeld moet worden,
om stil te vallen in wie je altijd al was.
De wereld mag dan het heilige vergeten zijn,
maar het heilige vergeet de wereld niet.
Het wacht in de tussenruimte van gedachten,
in de adem tussen twee woorden,
in de ogen van iemand die luistert zonder oordeel.
Voor wie de moed heeft
om de binnenweg opnieuw te betreden,
ligt de toegang nog altijd open ,
onzichtbaar, maar onuitputtelijk.
Een deur niet van hout of steen,
maar van aanwezigheid.
Een deur die opent
wanneer we ophouden te zoeken
en eindelijk beginnen te zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten